Sommige mensen maken geen fouten,
houden alles bij elkaar,
aan hun nagels en hun haren.
Maar nu ik val door diepe wolken,
als zware pluimen,
traag en paars,
als armen die mij zacht remmen,
die ik kan voelen,
die met een lach vertragen.
Sommige mensen maken geen fouten,
maar verdrinken wel in ochtendregen,
tussen de wortels van een grote beuk
waarop hun leven is gebouwd.
Je adem kietelt als je huilt.
Of is het rook?
Of de bladeren van een grote beuk?
Ik koester een huis tussen de wolken.
Sommige mensen maken geen fouten,
ze hebben duinen als billen,
bomen als benen,
stenen als armen,
en ik ben maar gebouwd van zand.
dat blijft vallen
en verwaaien
en ik spoel weg
en vergeet waar ik woon.
Tot ik wakker word als
het mos tussen je tanden,
tranen van de rook
kruimels in de plooien van de bank
of ik verdrink in ochtendregen
Er is geen oorlog zolang ik maar kan vallen,
als op zware pluimen,
als op duizend armen,
als op jouw rug,
jouw duinen,
in de hitte van de wolken,
of kan verwaaien,
om weg te spoelen
als traan tussen de golven
Sommige mensen maken geen fouten
Anderen vallen
en vallen
als op duizend armen
en zware pluimen